Stichting Perfect Fungi Europe - P.O. Box 416 - 6700 AK - Wageningen - The Netherlands

Hoofdstuk 11: DE LEVENSCYCLUS VAN Psilocybe [Stropharia] cubensis

Paddestoelen (carpophores of sporocarps) zijn de
sporendragende organen van hogere schimmels die op levend of
dood materiaal groeien. Paddestoelen worden meestal beschreven
als de 'vruchten' van de schimmel'plant'. Gezien hun taak, het
aanmaken en verspreiden van kiemcellen (gameten) zijn ze
echter eerder te beschouwen als de bloemen van de schimmel.
Strikt genomen hebben schimmels geen vruchten.


Schimmels zijn naast planten en dieren de derde aardse
levensvorm die meercellig voorkomt. In de natuur vervullen ze
verschillende functies. Mycorrhizae of symbiotisch levende
paddestoelen, zoals het eekhoorntjesbrood en de vliegenzwam,
kunnen slechts met levende boomwortels samenleven. In ruil
voor voedingsstoffen beschermen ze hun gastheer tegen ziektes
en parasieten.
     Parasitaire paddestoelen, zoals de honingzwam, verteren
hun gastheer en worden daarom veelal als een bedreiging voor
de bossen beschouwd. Sommige soorten produceren echter ook
belangrijke medicijnen, zoals het anti-kankermiddel taxol.
     De saprophyten, waaronder de oesterzwam, de Psilocybe
[Stropharia] cubensis en vrijwel alle andere psilocybine
producerende paddestoelen, leven van dood materiaal. Zij
breken dood plantaardig materiaal, eencelligen en insecten af,
met als gevolg dat de bouwstoffen weer ter beschikking komen
van andere levensvormen.

Ondanks de variatie in leefwijzen vertonen de levenscycli van
hogere schimmels grote overeenkomsten. Bij plaatjeszwammen
(Agaricales), en daar horen alle entheogene paddestoelen toe,
vormen de kiemcellen zich onder de hoed (pileus) op verticaal
hangende velletjes (lamellen).
     Op het oppervlak van de lamellen van Psilocybe
[Stropharia] cubensis delen gespecialiseerde cellen, basidia
genaamd, zich zodanig dat ze maar de helft van hun
oorspronkelijke aantal chromosomen overhouden (meiose). De
kern van een basidium maakt eerst zo'n reductiedeling door.
Vervolgens deelt elke dochtercel zich nog eens op de gewone
manier.
     Aldus vormen zich vier kiemcellen. Deze verplaatsen zich
naar de oppervlakte van het basidium en blijven daar door
middel van een eencellig draadje, het sterigma, mee verbonden.
Onder een microscoop ziet het geheel er nu uit als een koeie-
uier: het basidium is de uier, de sterigmatae zijn de spenen
en de sporen de toppen daarvan.
     Als de sporen rijp zijn, vullen de sterigmatae zich met
vocht en schieten de sporen na een electrostatisch signaal
los. Als de sporen niet direct in een vruchtbaar medium
terechtkomen verschrompelen ze. Alleen de celkern blijft over,
omhuld door een dikke wand. Deze wand beschermt de kern tegen
invloeden van buitenaf. Sommige sporen kunnen jarenlang in een
droge omgeving bewaard worden zonder hun kiemkracht te
verliezen.

Eenmaal in contact met water en voedingsstoffen zuigt de spore
zich vol en begint de cel zich te delen. Onder de microscoop
is de beginnende zwamvlok (mycelium) vaak al binnen enkele
uren zichtbaar als een aantal heel fijne doorzichtig-witte
draadjes (hyphae). De hyphae bestaan uit lange ketens van
cellen. Opdat de voedingsstoffen door het hele organisme
getransporteerd kunnen worden, lossen de wanden tussen de
cellen gedeeltelijk op.
     Dit mycelium is haploid: het bezit maar de helft van het
benodigde aantal chromosomen. Als het in contact komt met een
mycelium van een schimmel van dezelfde soort groeien de hyphae
van de twee mycelia aan elkaar vast en vormen een diploid
mycelium. De plaats waar ze met elkaar verbonden zijn blijft
onder de microscoop zichtbaar en ziet eruit als een gesp.
     Hogere schimmels wisselen aldus genetisch materiaal uit
zonder dat er sprake is van seksen. Anders dan andere
organismen kunnen ze ook genetisch materiaal van meer dan twee
individuen uitwisselen; ze vormen dan een polyploid mycelium
en kunnen zo het genotype van een ongelimiteerd aantal
individuen in zich bergen. Op deze manier kunnen schimmels
zich vaak sneller dan andere levensvormen instellen op een
veranderende leefomgeving en zijn ze theoretisch niet begrensd
door ruimte of tijd: er is een levend mycelium bekend van vele
voetbalvelden groot, met een gewicht van ruim honderd ton en
een leeftijd van meer dan vijftienhonderd jaar.
     Diploide en polyploide mycelia van Psilocybe [Stropharia]
cubensis vormen een netwerk van witte zwamdraden, zogenaamde
rhizomorfen: een liter grond kan meer dan honderd kilometer
zwamdraad bevatten. De dikste strengen steken vaak boven de
grond uit en zijn in staat door onvruchtbare bodemlagen heen
te dringen, op zoek naar voedsel.
     Bij de Psilocybe [Stropharia] cubensis kunnen alleen
diploide en polyploide mycelia paddestoelen vormen. Dat
gebeurt met name als de groeiomstandigheden minder gunstig
worden - meestal als de voedingsstoffen afnemen of als de
temperatuur daalt, maar ook licht speelt een rol. Op de
rhizomorfen vormen zich duizenden minuscule knobbeltjes, die
met elkaar concurreren om water. De verliezers uit deze strijd
staan hun water af aan de winnaars.
      De laatstgenoemde groeien steeds sneller en krijgen een
roodbruine top. Vanaf dat moment worden de knopjes primordia
genoemd. Het zijn baby-paddestoeltjes en de donkere topjes
zijn het begin van wat later de hoed moet worden. Ook de
primordia concurreren met elkaar om de gunstigste
omstandigheden. Velen verliezen de strijd en aborteren: de top
wordt zwart en ze verdrogen. Andere misvormen. Ook deze
sterven op den duur af. De aanwezigheid van kooldioxyde
stimuleert de groei van de steel. Boven de grond is er
verhoudingsgewijs meer zuurstof, en in combinatie met licht
stimuleert dat het opbollen van de hoed.
     De hoedrand is het meest lichtgevoelige deel van de
paddestoel. Onder invloed van licht worden groeihormonen
minder actief. De donkere kant groeit het snelst, waardoor de
top zich steeds naar het licht zal richten.
     De hoedrand blijft door middel van een vliesje (het
velum) met de steel verbonden. Het beschermt de nog
onvolgroeide lamellen en kiemcellen. De Psilocybe [Stropharia]
cubensis kent rassen met een heel stevig velum dat als de hoed
open gaat als een ring om de steel blijft zitten; een
voorbeeld daarvan is de 'Golden Teacher' varieteit waarvan de
sporen ondermeer door Stichting Perfect Fungi Europe worden
verkocht. Andere rassen, zoals de 'Psylocybe Fanaticus'
varieteit, hebben een velum dat meestal aan de hoedrand blijft
zitten of soms zo dun is dat het bij het openen van de hoed
aan flarden scheurt.
     Als de hoed zich opent, orienteert de paddestoel zich op
de wind, het licht en de zwaartekracht zo dat de lamellen in
de schaduw blijven en de wind er zo veel mogelijk vat op
krijgt. Als de luchtvochtigheid hoog genoeg blijft zullen de
basidia spoedig rijpen en sporen vormen. De sporen worden
weggevoerd door wind en regen. De paddestoel sterft vervolgens
snel af.

11.1. Vindplaats
Psilocybe [Stropharia] cubensis kan in (sub)tropische gebieden
over de hele wereld worden aangetroffen, in het bijzonder in
het regenseizoen of gedurende perioden met hoge
luchtvochtigheid. In Nederland is buitenteelt in de zomer
mogelijk, al is hij hier nog niet inheems.
     De buitenteeltmethode blijft hier verder buiten
beschouwing - de geinteresseerde lezer zij verwezen naar de
verschillende publikaties over het kweken van de aan deze
paddestoel verwante, maar niet-entheogene Psilocybe
[Stropharia] rugoso-annulata (Bietenputzwam, Elfenbrood of
Wijnrode Stropharia). Een goede Nederlandstalige ingang is het
boekje van Jan Lelley, zie daarvoor de literatuurlijst.
     De paddestoel komt veel op oude mest van koeien voor in
Zuidoost Azie en volgens de bekende mycoloog Gordon Wasson kan
dat de heiligheid van koeien in India mede verklaren.In het
veld wordt de paddestoel in de regel alleen of in kleine
groepjes aangetroffen.

11.2. Uiterlijk
De hoed van de volwassen paddestoel draagt vaak nog resten van
het velum, het vlies dat om de jonge paddestoel heenzit. Deze
resten verdwijnen meestal snel, vooral als het regent of er
water gesproeid wordt. Dat vlies blijft na opening van de hoed
vaak zichtbaar als een ring om de steel, maar kan ook aan de
rand van de hoed blijven hangen.
     Als de hoed zich opent wordt deze aan de randen meestal
bleker en in het midden donkerder, maar dat hoeft niet. Zowel
de steel als de ring van volwassen exemplaren zijn vaak
bepoederd met sporen. De steel is vaak in de lengte gestreept,
en vaak gedraaid (getordeerd). Bij volwassen exemplaren is de
steel met sporen bepoederd aan de bovenkant en donzig wit aan
de basis.
     Het vruchtvlees verkleurt blauw tot blauwgroen waar het
beschadigd wordt. De paddestoel verkleurt vaak al blauw
voordat hij wordt aangeraakt, in het bijzonder wanneer er
waterdruppels op liggen. De sporen zijn paarsbruin van kleur.

11.2.1.

Hoed


diameter1 tot 10 centimeter
kleurvan creme tot donkerbruin, meestal roodbruin en enigzins hygrofaan (doorschijnend in vochtige toestand)
ontwikkelingde hoed verschijnt als een donkerder gekleurd puntje op een wit bolletje vervolgens laat de hoedrand los van de steel, en gaat de hoed horizontaal staan
vruchtvleesstevig en wit. Bij beschadiging verkleurt het blauw

11.2.2.

Steel


diameter0.5 tot 2 centimeter
lengte5 tot 30 centimeter
kleurwit met soms blauwe tot blauwgroene vlekken
verschijningafhankelijk van het substraat en varieteit hol of massief, soms met een ring er omheen en donker bepoederd met sporen. De steel heeft een satijnachtige glans en is vaak gestreept.

11.2.3.

Lamellen


verschijning
en vorm
Dicht bijeen staand, in het begin verbonden met de steel, maar na enige tijd vrij.
kleurlicht bruin / grijs tot diep paars-zwart bij volwassen exemplaren, de rand is lichter gekleurd.

11.2.4.

Sporen


verschijningAan elk basidium, een spore-producerende cel aan de oppervlakte van een lamel, groeit een trosje van vier sporen. De sporen groeien ieder aan een soort navelstreng sterigma die zich tijdens het rijpen met water vult. Op het moment van sporulatie springt elke streng open en laat zijn spore los.
kleurRoodbruin tot zwart, maar ook rode varieteiten bestaan. In een oplossing van tien procent kaliloog worden ze al snel geelbruin, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de vlekplaat of Paneolus.
formaat12-17 * 8-12 * 7-9 micrometer
vormGlad, ellipsoid, met een deukje aan de kant die van de lamel af wijst: de kiempore.

11.2.5.

Zwamvlok


verschijningHet gezonde mycelium begint donzig, maar vormt ongeveer een week na het enten zwamdraden: zogenaamde rhizomorfen. Op microscopisch niveau vormen twee monokaryotische mycelia, ieder afkomstig uit een andere spore en in het bezit van een half stel chromosomen, samen een dikaryotisch mycelium. Dit mycelium is in staat om paddestoelen te vormen. De afzonderlijke cellen zijn vaak met elkaar verbonden door middel van zogenaamde gespen.
kleurWit, maar soms met een blauwe waas - in het bijzonder waar er in gesneden is. Een oudere zwamvlok produceert vaak een gele afscheiding, vooral bij gebrek aan zuurstof.

11.2.6.

Overige gegevens


vocht
percentage
92% water, 8% droge stof.
oogst
potentieel
(Vers) Op PF-substraat circa een kwart van het natte substraat-gewicht.
gehalte
psycho-aktieve
stoffen
Tussen de half en anderhalf procent van het drooggewicht. In de zwamvlok zit veel minder werkzame stof dan in de paddestoelen. In de paddestoelen zelf zitten de alkaloiden vooral in de opperhuid. Er wordt een hogere concentratie aangetroffen in de hoeden dan in de stelen. De hoogste concentratie is aanwezig in de onvolgroeide primordia.

11.3. Bijzondere kenmerken
Deze paddestoel is de grootste bekende paddestoel die
psilocybine bevat en tegelijk een van de meest gemakkelijk te
kweken paddestoelen. Verschillende proeven hebben uitgewezen
dat de vruchtlichamen op gecomposteerd graanstro het grootst
zijn. Paddestoelen van meer dan een half ons per stuk zijn
daarop niet ongewoon. Kleinschalig gekweekt op
rijstemeel/vermiculiet-substraat zijn ze echter gemiddeld
dertig procent sterker.

11.4. Tijdschema paddestoelenteelt bij 25 ° Celcius
1.   Van inoculatie tot ontkieming van sporen: een halve tot
     een hele week;
2.   van ontkieming tot volledige kolonisatie van 250ml
     substraat: twee tot drie weken;
3.   van volledige kolonisatie tot knopvorming: binnen twee
     weken;
4.   van knopvorming tot opening van de hoed: drie tot vijf
     dagen;
5.   van opening van de hoed tot sporulatie: circa twee dagen.

11.5. Kenmerken van de entheogene alkaloiden in Psilocybe [Stropharia] cubensis
PsilocinePsilocybine
formuleC12H16N2OC 12H17N2O4P
molecuul
gewicht
204.27284,27
smeltpunt in
methyl-alcohol
446-448 ° Kelvin
of 173-175 ° Celcius
485-469 ° Kelvin
of185-195 ° Celcius
minimale
psycho-aktieve
dosis
30 microgram /kilo lichaamsgewicht50 microgram / kilo lichaamsgewicht



Terug naar de Kweekhandleiding
Door naar het volgende hoofdstuk

Stichting Perfect Fungi Europe (PFE)
Postbus 416
6700 AK Wageningen
Nederland
E-mail: info@pfe.antenna.nl

Ondermeer om papier te sparen correspondeert PFE bij voorkeur
per email. Aan bovenstaand adres gerichte post wordt alleen
beantwoord als er een aan de afzender geadresseerde en
voldoende gefrankeerde envelop is ingesloten.
Alles van deze pagina mag, mits onverkort en met bronvermelding,
worden overgenomen. De informatie op deze pagina kan echter op ieder
moment worden gewijzigd.
Copyright © 1997. Perfect Fungi Europe, P.O. Box 416, 6700 AK, Wageningen, The Netherlands.