Stichting Perfect Fungi Europe - P.O. Box 416 - 6700 AK - Wageningen - The
Netherlands
overgenomen uit:
    KORF, DICK (1991). 'Paddestoelenwereld',
    Amsterdams Drug Tijdschrift, september1991
    blz. 7-9
TRENDS IN HALLUCINOGENEN
In 1969 vonden Buikhuisen c.s. dat ruim 1% van een grote groep
oudere scholieren en studenten van hoge scholen wel eens trips
hadden gebruikt; in 1971 was dat ongeveer hetzelfde en in 1973
krap 3%. De steekproeven waren nogal verschillend, zodat het
niet duidelijk is of in 1973 sprake was van een stijging, of
dat het hogere percentage bijvoorbeeld werd veroorzaakt
doordat er veel meer studenten van kunstacademies aan het
onderzoek meededen. Ongeveer tegelijkertijd, in 1972, stelde
de criminoloog Leuw vast dat jongere scholieren zeer
sporadisch ervaringen hadden met LSD. In 1984 had van een
landelijke steekproef van 15-24 jarigen 1,1% wel eens trips
geslikt (van der Wal).
    Over het algemeen ligt het gebruik van illegale drugs
hoger in grote steden dan elders in het land. We mogen dus
voor Amsterdam hogere percentages verwachten dan de landelijke
cijfers. In 1987 vonden van Dam & Driessen bij Amsterdamse
scholieren tussen 12 en 22 jaar een life time prevalentie voor
LSD en mescaline van 0.8%. In 1990 was dit in een iets oudere
steekproef van Amsterdamse scholieren bijna het dubbele voor
alle hallucinogenen samen (Korf c.s.). Mogelijk een lichte
stijging dus, maar het verschil kan ook verklaard worden door
de hogere leeftijd.
    Tenslotte twee onderzoeken van Sandwijk onder
Amsterdammers van 12 jaar en ouder. In 1987 had 3,8% wel eens
LSD, paddestoeltjes e.d. genomen. Drie jaar later was dat met
4,1% ongeveer hetzelfde. Zoals uit een artikel van Sandwijk
c.s. elders in dit nummer blijkt lag het recente gebruik van
deze middelen in 1990 niet hoger dan drie jaar daarvoor.
Uit de cijfers van Sandwijk c.s. in 1987 bleek dat dertigers
het hoogst scoorden bij het ooit-gebruik en twintigers voor
het laatste jaar. Men zou uit de cijfers af kunnen leiden dat
hallucinogenen een piek hebben gekend aan het eind van de
jaren zestig en gedurende het volgende decennium. De
experimenteerders en gebruikers van toen waren de dertig
gepasseerd en hielden het inmiddels bijna allemaal voor
gezien. Toch is dit maar een halve waarheid. De cijfers van de
twintigers in 1987 maken duidelijk dat ook korter geleden niet
alle jongeren en jongvolwassenen vies waren van
hallucinogenen: 1,1% had de laatste 12 maanden zulke middelen
gebruikt.
    Misschien was er na de hippietijd een afname van het
gebruik, maar de laatste 25 jaar zijn hallucinogenen nooit van
de drugsmarkt verdwenen. Dat blijkt ook uit cijfers van de
Amsterdamse Narcoticabrigade. De vangsten wisselden sterk,
maar er ging geen jaar voorbij waarin geen trips in beslag
genomen werden. Uit al dit materiaal blijkt dat het gebruik
van hallucinogenen nooit verdwenen is, maar ook nooit hoog
was. Niets wijst op een nieuwe trend van noemenswaardige
omvang. Zelfs als er echt sprake zou zijn van een
'hippie-revival' moeten we niet vergeten dat ook tijdens de
flower power nooit grote groepen Amsterdammers trips genomen
hebben. Wie dat beweert draagt slechts bij tot een mythe.